Gids over de Godsakker

Godsakker

Godsakker noemen de Hernhutters hun begraafplaatsen. “De akker van God”, deze term stamt uit de Bijbelse beeldspraak (1 Kor 3:9 / 1 Kor 15:35-49). In dit beeld wordt het sterven geduid als het zaaien van het zaad voor het nieuwe leven. Deze voor de Broedergemeente karakteristieke naam wijst erop dat het niet alleen gaat om een plaats om te begraven en te gedenken maar ook om een liturgische plaats, waar de gemeente haar geloof belijdt, een plaats van hoop op nieuw leven, zoals het op het bord bij de ingang van het oude deel van de Godsakker in Zeist staat: Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht (1Kor 15:42).
Sinds 1747 worden hier leden van onze gemeente begraven, sinds 2005 op het nieuwe gedeelte achter het Broederhuis. De Godsakker is onmisbaar voor het opzet van de “Ortsgemeinen” (plaatselijke gemeenten) van de Broedergemeente, die in de 18de eeuw naar het voorbeeld van Herrnhut en Herrnhaag (Duitsland) behalve in Zeist ook op veel andere plaatsen zijn opgericht, bijvoorbeeld in Christiansfeld (Denemarken), in Gracehill (Noord-Ierland), in Sarepta (Rusland) en in Bethlehem PA (VS).
De nederzettingen van de Broedergemeente waren gemeenschappen, waarin het hele leven doordrongen was van het gemeenschappelijke geloof in Jezus Christus. Wonen, werken en geloven vormden een eenheid. De dood hoorde er als onderdeel van het leven bij. De dood is, zoals de Hernhutters plachten te zeggen, slechts een overgang van de gemeente hier op aarde naar de gemeente boven, die al bij Christus is.
In de loop van twintig jaren na de oprichting van de Evangelische Broedergemeente in het jaar 1727, kwamen de voor onze kerk karakteristieke liturgische vormen tot stand. De Godsakker op de Hutberg in Herrnhut, die voor alle anderen als model diende, werd in 1730 in gebruik genomen. Hij diende een afspiegeling van de kerkzaal te zijn. Daarom werden overleden gemeenteleden overeenkomstig de pastorale groepen van de gemeente begraven. Aan de ene kant de zusters; meisjes, ongehuwden, gehuwden en weduwen in eigen rijen. Aan de andere kant dienovereenkomstig de broeders.
Ook de beukenhaag die de Godsakker omsluit, en de lindebomen vinden wij behalve in Herrnhut en Zeist op veel andere Godsakkers van de Hernhutters terug. Op grond van de hartvorm van de bladeren waren en zijn lindebomen in de Broedergemeente bijzonder populair.
De volgorde van de graven is afhankelijk van de datum van de begrafenis. Rijk of arm, van adel of lijfeigen, hier is niemand groter of kleiner. Voor God zijn wij allemaal gelijk. Familiegraven zijn er niet of beter gezegd, de hele Godsakker is een soort familiegraf voor de kinderen van de ene Vader, broeders en zusters in Christus. Daarom is het begraven ook een gezamenlijke taak van de hele gemeente. Op de grafsteen staat geen titel; er staan ook geen woorden van afscheid op, maar enkel de naam en de geboorte- en sterfdag van de overledene en een Bijbelspreuk of een vers uit het gezangboek. In Zeist wordt op de steen daarnaast nog het nummer van het kerkboek aangegeven.

“Heimgehen” (thuiskomen) is een manier van de Hernhutters om over overlijden te spreken. Overlijden betekent thuis te komen bij God, daarom is het afscheid bij het graf slechts tijdelijk en de begrafenis ondanks het verdriet ook een feest van het leven. Daarover vertellen de liederen, de overdenking, de lezingen en het gebed in de dienst in de kerkzaal, die voorafgaat aan de begrafenis.
Een vast onderdeel van onze begrafenissen is het voorlezen van de levensloop, die de overledene tijdens zijn leven zelf voor zijn of haar broeders en zusters heeft geschreven. Levenslopen zijn persoonlijke levensberichten, waarin het leven in het licht van de tijdelijkheid van de mens en de oneindige liefde van God wordt gezien. Door de traditie van de levenslopen hebben wij een zeer bijzondere schat aan levensberichten uit drie eeuwen, een afspiegeling van het geestelijke leven van de Broedergemeente Zeist.
In het tweede deel van onze begrafenis loopt de gemeente achter het blazerskoor en de kist naar de Godsakker. De kist is wit, zoals de zaal van de Hernhutters, teken van hoop. De blazers spelen koralen, waaronder veel Paasliederen. Hernhutter begrafenissen beginnen om 14.30 uur in de kerkzaal, om rond 15.00 – het stervensuur van Jezus – op de Godsakker te zijn. In een korte begrafenisliturgie bij het graf belijdt de gemeente haar geloof in de opgestane Christus en de hoop op eeuwig leven.

In veel kerken worden de overledenen op Allerzielen of op de laatste zondag van het kerkelijk jaar gedacht, in november dus, in de donkerste tijd van het jaar, als het blad valt en de natuur sterft. In de Broedergemeente gedenken wij onze overledenen met Pasen, als de natuur weer tot nieuw leven ontwaakt en wij de opstanding van Christus vieren. Dan komt de gemeente vroeg voor zonsopgang in de kerkzaal bij elkaar om de Paasboodschap te horen: “De Heer is opgestaan!” Zij gaat daarna – in Zeist voor het eerst op 18 april 1756 – met het blazerskoor naar de Godsakker om de opgestane Heer te vieren en de doden te gedenken. De Godsakker is dan geen plaats van de dood maar van de belijdenis van Christus, een plaats van het leven en van de hoop.

Wij Zeistenaren kunnen in zekere zin zeggen dat onze gemeente slechts daarom is ontstaan omdat hier de mogelijkheid bestond voor een eigen Godsakker. De eerste Hernhutter nederzetting in Nederland, ’s Heerendijk bij IJsselstein, kon juist om deze reden niet voldoen. Zo kwam men naar Zeist en begon in 1746 opnieuw. In 1747, de kerkzaal was toen nog in het Slot, werd als eerste het driejarige meisje Anna Hasselman begraven. Een Godsakker was toen nog niet aangelegd. De kleine Anna werd naast een vijver in de slottuin begraven. De graven voor de broeders werden aan de andere kant van de vijver aangelegd. Pas na enkele jaren werd de vijver gedempt om ook hier graven aan te leggen.
Op de Godsakker worden uitsluitend leden van de Broedergemeente Zeist begraven. Grafplaatsen worden niet verkocht. De plaats blijft eigendom van de gemeente, het is een liturgische plaats, teken van de gezamenlijke hoop die verder gaat dan de grens van het leven.
Op onze Godsakker worden graven, anders dan in andere Broedergemeenten, niet hergebruikt. In 1953 kwam er een uitbreiding aan de Waterigeweg. Sinds 2005 begraven wij aan de andere kant van de Nassau Odijklaan, achter het Broederhuis.
De grafinschriften zijn een afspiegeling van de internationaliteit van de Broedergemeente. Broeders en zusters uit meer dan 40 landen zijn hier begraven. Naast veel Europese steden vinden wij plaatsen van de Hernhutter zending op de grafinschriften, zoals Lichtenau in Groenland, Elim in Zuid-Afrika, Hoffenthal in Labrador of Friedensthal op het Caraïbische eiland St. Croix. De meeste oude stenen hebben Duitse inschriften. Duits was tot na de Tweede Wereldoorlog de kerktaal van de roedergemeente Zeist. Maar reeds in de 18de eeuw waren er ook Nederlandse inschriften. Daarnaast vinden wij op de stenen exotische talen zoals Hindi, enkele opschriften in het Engels, Frans, Italiaans en meerdere in het Sranan/Surinaams.
De traditionele indeling in broeder- en zusterkant werd in 1997 opgeheven. Sindsdien worden de overleden leden in chronologische volgorde van hun begrafenis begraven. Dat past ook bij het concept van de afspiegeling van de zaal, want ook in de kerkzaal zit de gemeente niet meer gescheiden naar broeder- en zusterkant. Reeds in het begin van de 20ste eeuw waren, toen er niet meer genoeg plaats was op de velden van de zusters, enkele rijen op het Broederveld Oost (18-19) en Zuid (16-19) met zustergraven bezet. De kinderen hebben hun eigen grafrijen. De kindersterfte was in het verleden groot, tot 1945 was ongeveer iedere 6de begrafenis een kind jonger dan tien jaar.
Er zijn ook enkele dubbele graven, bijvoorbeeld van de tweeling Johann en Friedrich Kilian (Z1-04-16), die bij de geboorte zijn overleden, of Maria en Maria Louise Lorentz (N1-07-06), moeder en dochter, die slechts enkele dagen na de bevalling zijn overleden.
Opvallend zijn 20 grafplaten uit metaal, de oudste uit 1878, de jongste uit 1940. De platen zijn groter dan de stenen, zij zijn in strijd met de grondidee van de Godsakker en laten zien dat er ook in de gemeente van broeders en zusters mensen waren die “gelijker” waren dan anderen.
De volgorde van de stenen is niet overal chronologisch, soms lijkt het erop alsof stenen van bekendere mensen langs de paden of stenen van familieleden bij elkaar werden gelegd. De precieze omstandigheden daaromtrent moeten nog worden onderzocht.

Op 22 februari 2005 werd broeder Willem Kortlandt als eerste lid van onze gemeente op het nieuwe gedeelte van onze Godsakker begraven. De graven achter het Broederhuis vormen geen nieuwe Godsakker. Het oude en het nieuwe gedeelte horen bij elkaar. Hier wordt zichtbaar dat de Godsakker van de Broedergemeente Zeist niet slechts een historisch interessante plaats van hoge culturele waarde is, maar tot de dag van vandaag een liturgische plaats, een plaats van hoop, waar de leden van de Broedergemeente Zeist hun geloof in Christus belijden, die heeft gezegd: Ik leef en ook jullie zullen leven. (Johannes 14:19)

Topografie Godsakker

De topografie van het oude deel van de Godsakker achter het Zusterhuis stamt van een plattegrond/kaart van Erich Bär uit het jaar 1918. Door de indeling van Bär is ieder graf duidelijk te vinden: veld, rij en grafsteen worden vermeld. Bär onderscheidt vier velden. Als men de Godsakker door de ingang aan de Zinzendorflaan betreedt, bevindt zich aan de linker kant het veld West 1, aan de rechter kant het veld Zuid 1. Tegen de muur van het Zusterhuis links is het veld Noord 1, rechts het veld Oost 1.
Dan telt Bär de rijen, telkens 19 per veld. De telling begint bij de buitenste rijen, omdat hier de oudste graven zijn. De rij 19 ligt dus aan de weg tussen Zinzendorflaan en Zusterhuis. Is de rij gevonden, telt men de grafstenen vanuit de andere as, het middenpad, dat parallel loopt met de Zinzendorflaan.
Opbouwend op het systeem van Bär heeft Gijs Kuus in 1998 een nieuwe topografie van de Godsakker gemaakt, waarin ook de uitbreiding in het jaar 1953 is opgenomen. Het nieuwe gedeelte is door het verschil van de stenen makkelijk te herkennen. Bovendien ligt het net iets dieper. Gijs Kuus noemt de nieuwe velden die er aan de Waterigeweg bij zijn gekomen West 2 en Noord 2. De rijen worden hier opstijgend geteld. Ieder graf heeft bovendien een grafnummer, van 1 t/m 1591.

Anna Elisabeth Hasselmann (1743–1747)

De eerste graankorrel in de Godsakker Zeist

West 1-03-15 • Kerkboek 1

De familie Hasselman is één van de eerste uit Amsterdam die naar Zeist komen. De vader van Anna is timmerman en hij heeft de leiding over de bouw van de koorhuizen aan de pleinen. Wanneer de kleine Anna in januari 1747 kort voor haar vierde verjaardag overlijdt, lijkt de gemeente niet voorbereid te zijn op een sterfgeval. (Ook op de ontwerptekening van de gemeente, het “Prospect van Nieuw Zeyst” van 1749 is niet aangegeven waar de begraafplaats zou worden aangelegd.)
Men begraaft haar tenslotte in het rosarium, aan de rand van de vijver in één van de tuinen van het Slot. Als eerste zaadkorrel wordt Anna Elisabeth hier in de akker Gods gelegd. De eigen begraafplaats van de Hernhutters wordt door de plaatselijke overheid ternauwernood toegestaan; hij is en blijft omstreden. Het duurt jaren tot de officiële toestemming hiervoor wordt afgegeven. Twintig jaar later is de Godsakker van Zeist ingeburgerd; hij heeft zelfs een zekere bekendheid: in het dagboek van de Zeister Broedergemeente, het Diarium, is te lezen dat Utrechtse burgers vragen om toch vooral tijdig op de hoogte te worden gebracht wanneer er weer een begrafenis plaatsvindt, – men vond de plechtigheid immers erg mooi!

Christian Nagel (? – 1748)

Orgelbouwer en ongehuwde broeder

Zuid 1-02-15 • Kerkboek 2

Christian Nagel is de eerste broeder die begraven werd op de Godsakker van Zeist. In mei 1747 verhuisden de ongehuwde broeders van ’s Heerendijk, bij IJsselstein, naar Zeist. Gedurende de eerste jaren waren ze ondergebracht in de villa Veelzicht, naast de Oude Kerk, op de plek waar nu het politiebureau staat. Slechts een paar dagen voor het heengaan van Nagel werd de grondsteen gelegd voor het grote huis aan het Broederplein. Christian Nagel was afkomstig uit Anspach, of uit Ansbach, in Duitsland. Hij was van beroep orgelbouwer, een beroep van belang in de Broedergemeente, aangezien de muziek een onmisbaar onderdeel uitmaakt van het liturgische leven van de Hernhutters. Broeder Nagel heeft het register van het orgel in de gemeentezaal, die zich destijds in de rechtervleugel van het Slot bevond, uitgebreid en het orgel van een extra pedaal voorzien.

Matthijs Beuning (1707–1755)

Koopman te Amsterdam

Zuid 1-03-10 • Kerkboek 56

De familie Beuning bestond uit vermogende Amsterdamse kooplieden. Zij waren lidmaat van de doopsgezinde gemeente “Lam en Toren” aan de Singel. Zoals andere leden van zijn gemeente – uit de families Van Laer, Schellinger, Verbeek en Van Vliet – behoorde Matthijs Beuning tot de vriendenkring van de Hernhutters. Wanneer Zinzendorf in Amsterdam verbleef, was hij menigmaal te gast in huize Beuning. Daar werd in 1738, in het bijzijn van Graaf Zinzendorf, de Broedergemeente Amsterdam opgericht. De salon van het Beuninghuis is later naar het Rijksmuseum overgebracht, waar hij nog altijd te bewonderen is. Matthijs Beuning heeft vele projecten van Zinzendorf genereus ondersteund. Naast zijn deelname aan de opbouw van de Zeister Broedergemeente, was hij betrokken bij de oprichting van Herrnhaag. Aan het Broederplein in Zeist liet hij het huis bouwen, dat op de symmetrieas staat, – het huis met het indrukwekkende balkon, waar in het smeedijzeren hekwerk zijn initialen zijn verwerkt. Financiële kwesties leidden later tot onenigheid met Zinzendorf, en uiteindelijk tot een rechtszaak in Dresden. De echtgenote van Beuning, Catharina (West 1-04-10), trok na de dood van Matthijs de aanklacht in. Beuning stierf te Amsterdam; zijn lichaam werd echter overgebracht naar Zeist, om begraven te worden op de Hernhutter Godsakker.

Heinrich XXXI Reuß (1731–1763) genaamd Ignatius

Neef van Gravin Von Zinzendorf

Zuid 1-01-10 • Kerkboek 131

Aan het graf van Heinrich XXXI Reuß, genaamd Ignatius, wordt het concept van de Godsakker duidelijk zichtbaar: deze directe neef van Erdmuth Dorothea Gravin von Zinzendorf, een loot van oeroude Europese adel en een verwant van de stichter van de Broedergemeente ligt op één rij met andere broeders. Geen opvallende grafsteen, geen bijzondere aanduidingen. Heinrich XXXI groeit op in Ebersdorf (Thüringen) en komt 14 jaar oud op het seminarie van de Broedergemeente in Lindheim, bij Frankfurt am Main. Hier beleeft hij het hoogtepunt van de zeer emotionele “Sichtungszeit” (tijd van schifting) van de Broedergemeente, die hem voor de rest van zijn leven gevormd heeft. Het plotselinge einde van deze periode, de als bestraffing opgevatte verplaatsing van zijn vier jaar oudere neef Christian Renatus von Zinzendorf naar Londen, en diens vroege dood in 1752, waren een zware beproeving voor de zeer gevoelige Ignatius. Jaren later wordt hij algemeen-oudste van alle broederkoren. In 1758 wordt hij geordineerd tot presbyter, vervolgens lid van het zogenaamde “Jüngerhaus”, het leidinggevende orgaan van de Broedergemeente rond Zinzendorf. Toch krijgt men de indruk dat hij aan de hoge verwachtingen, die Zinzendorf en de andere leiders van Broedergemeente van hem hebben, niet kan voldoen. Vanwege zijn zwakke gezondheid komt hij in februari 1761 naar Zeist, want het klimaat hier geldt als gezond. Ignatius woont in het Broederhuis. Op grond van zijn adellijke afstamming nemen vertegenwoordigers uit de politiek en van de Nederlandse adel, o.a. uit het huis van Nassau-Odijk, deel aan zijn begrafenis.

Heinrich XXXI Reuß (1731–1763) genaamd Ignatius

Neef van Gravin Von Zinzendorf

Zuid 1-01-10 • Kerkboek 131

Aan het graf van Heinrich XXXI Reuß, genaamd Ignatius, wordt het concept van de Godsakker duidelijk zichtbaar: deze directe neef van Erdmuth Dorothea Gravin von Zinzendorf, een loot van oeroude Europese adel en een verwant van de stichter van de Broedergemeente ligt op één rij met andere broeders. Geen opvallende grafsteen, geen bijzondere aanduidingen. Heinrich XXXI groeit op in Ebersdorf (Thüringen) en komt 14 jaar oud op het seminarie van de Broedergemeente in Lindheim, bij Frankfurt am Main. Hier beleeft hij het hoogtepunt van de zeer emotionele “Sichtungszeit” (tijd van schifting) van de Broedergemeente, die hem voor de rest van zijn leven gevormd heeft. Het plotselinge einde van deze periode, de als bestraffing opgevatte verplaatsing van zijn vier jaar oudere neef Christian Renatus von Zinzendorf naar Londen, en diens vroege dood in 1752, waren een zware beproeving voor de zeer gevoelige Ignatius. Jaren later wordt hij algemeen-oudste van alle broederkoren. In 1758 wordt hij geordineerd tot presbyter, vervolgens lid van het zogenaamde “Jüngerhaus”, het leidinggevende orgaan van de Broedergemeente rond Zinzendorf. Toch krijgt men de indruk dat hij aan de hoge verwachtingen, die Zinzendorf en de andere leiders van Broedergemeente van hem hebben, niet kan voldoen. Vanwege zijn zwakke gezondheid komt hij in februari 1761 naar Zeist, want het klimaat hier geldt als gezond. Ignatius woont in het Broederhuis. Op grond van zijn adellijke afstamming nemen vertegenwoordigers uit de politiek en van de Nederlandse adel, o.a. uit het huis van Nassau-Odijk, deel aan zijn begrafenis.